Diepestraat 16 en 20

Diepestraat 20 en 16 zijn twee beeldbepalende boerderijen. De hoeve Diepestraat 20 stond rond 1760 bekend als de Frisschenhof. Deze Frisschenhof staat centraal in een van de verhalen over de Bokkenrijders. In de nacht van dinsdag 22 op woensdag 23 januari 1760 worden de bewoners van de hoeve overvallen. Twee bewoners overleden nog geen jaar later aan de gevolgen van de mishandelingen in die bewuste winternacht. Dat de Bokkenrijders ooit bestaan hebben als criminele organisatie wordt betwijfeld. De diefstallen en overvallen die aan hen worden toegeschreven hebben wel plaats gevonden. Zo ook de overval in 1760.
Momenteel (2013) staat de boerderij bekend als ‘Boerderij Aan den Del’. In het begin van de tweede helft van de vorige eeuw werden enkele stallen van de hoeve aan de Diepestraat 20 verbouwd tot woning. Deze woning kreeg huisnr 18.  De beide boerderijen (20 en 16) zijn zover bekend halverwege de vorige eeuw aaneengesloten door het metselen van een boogpoort. Tussen de beide boerderijen lag vroeger een waterput ten behoeve van de drinkwatervoorziening.

In 1760 wordt de boerderij aan de Diepestraat 20 bewoond door de 80 jarige Joannes Frisschen en zijn blinde echtgenote. Omdat beide op leeftijd en hulpbehoevend zijn, woont bij hen in het 20 jaar jongere echtpaar Arnold Frisschen en zijn vrouw Sibilla Dresen. Arnold is een halfbroer van Joannes. Arnold en Sibilla zorgen voor Joannes en zijn vrouw en doen ook het boerenwerk voor het hoog bejaarde echtpaar. Dienstmeisje en verantwoordelijk voor het huishoudelijk werk is Maria Frisschen een nicht van Arnold en Joannes.

In de koude winternacht van 22 op 23 januari 1760 voltrekt zich op de boerderij een afschuwelijk drama. Omdat overvallen en inbraken in die tijd schering en inslag zijn ontstaat de mythe, zo is nu het inzicht, dat er criminele groeperingen actief zijn die allen lid zijn van een grote bende: De Bokkerijders. Het verhaal van het bestaan van de Bokkenrijders wordt dan ook nog eens versterkt door bekentenissen die, gepaard gaande met martelingen, worden verkregen. Maar of de Bokkerijders nu wel of niet hebben bestaan. De gebeurtenissen hebben wel plaats gevonden.

In die bewuste nacht baande zich  een grote groep Bokkerijders, een sneeuwstorm en de kou trotserende, een weg naar het huis van de Frisschens.  Het slechte weer speelde de overvallers zelfs in de kaart. De buren maar ook de andere bewoners van Arensgenhout hadden zich in de huizen terug getrokken om zich te warmen. De Bokkenrijders omsingelden De Frischenhof. Enkelen verschaften zich met een ploegkouter via de lemen muur van de koestal toegang tot de boerderij. Zij dringen door tot de slaapkamer van Arnold en Sibilla. Beiden worden gekneveld en niet zachtzinnig aangepakt. Vervolgens wordt door de binnen zijnde Bokkenrijders de deur van de boerderij geopend om hun buiten wachtende kompanen binnen te laten. Het geweld tegen de geknevelde Arnold en Sibilla wordt voorgezet. De 80 jarige Joannes Frisschen wordt ook niet ontzien. Met geweld probeert men te achterhalen waar hij zijn geld heeft verstopt.  Zijn blinde echtgenote wordt ontzien. Waarschijnlijk vanwege haar handicap. Immers kan zij niemand zien en herkennen. Het dienstmeisje Maria heeft zich verstopt en wordt niet gevonden. De plek waar Joannes het geld heeft verborgen komt men in ieder geval te weten. Behalve het geld worden ook nog heel veel spullen zoals kleding, linnengoed en eten mee geroofd. Joannes en Arnold Frisschen  worden zo erg toegetakeld dat zij beiden nog geen jaar later aan de opgelopen verwondingen overlijden.

Om in die tijd have en goed te beschermen tegen dieven en overvallers werden in de dorpen en gehuchten burgerwachten in het leven geroepen die dag en nacht actief waren. Ook in Arensgenhout had men leden van de burgerwacht. Zoals Antoon Weusten en Mees Boosten. Zij worden gewaarschuwd door twee knechten van buurman Dolmans die op hun beurt van bed waren geroepen door het dienstmeisje Maria. Ook rotmeester Peter Mullens was er bij gehaald. Met z’n vijven volgen zij vanuit Arensgenhout de voetstappen in de sneeuw. Dit gaat goed tot in het buurschap De Heek. Daar raakt men het spoor bijster. Wel ziet men in De Heek nog licht branden bij glazer Anthoon Bosch. Bij hem wordt aangeklopt. Maar deze weigert op te doen. Hij geeft te kennen ’s nachts niet open te doen uit angst. De mannen keren terug naar Arensgenhout.

Bijna 15 jaar later doet ‘Bokkerijder’ Frans Anthoon Brasse op de pijnbank in Valkenburg een bekentenis. Glazer Anthoon Bosch uit de Heek wordt aangewezen als de grote man achter deze brute overval met de dood van twee mensen tot gevolg.

Klik op de foto’s voor een vergroting.